Arend Ketz leefde van 1768 tot 1838 en maakte dus roerige tijden mee. Van republiek met stadhouders, Koninkrijk met een Franse koning, provincie van Frankrijk tot Koninkrijk met weer een Oranje als staathoofd.
Arend werd geboren in Hoog-Keppel, de geboorteplaats van zijn moeder. Arend werd geboren met als achternaam Kets en niet Ketz, hierover later meer. Zijn vader en eerdere familie kwamen uit het nabije Drempt. Zijn tante Johanna Gerdina Kets trouwde met Hendrik Brinkhorst en is daarmee één van de voorouders van de Prinses Laurentien. Religieus besef werd hem waarschijnlijk al vroeg bijgebracht, zijn vader was Diaken in Drempt en zijn opa en overgrootvader waren er Kerkmeester geweest. Het beroep van zijn vader is onbekend. Maar zijn oudste broer was landbouwer een andere broer jager. Arend kwam uit een gezin van negen kinderen. In 1785 kwam er nog een nakomertje maar dat kind heeft maar een jaar geleefd en Arend was toen allang de deur uit. Arend was de tweede zoon in het gezin.
Kerk in Hoog-Keppel.
Kerk in Drempt.
DTB Hoog Keppel, doop Arend Ketz 03-05-1768.
Hoog Keppel; Protestantse Kerk. We kunnen aannemen dat de stichting van deze kerk teruggaat tot de 11e eeuw. De basis van de huidige toren, met Romaanse entree, is 12e-eeuws. In 1336 zijn er al 6 altaren in de kerk, gewijd aan verschillende heiligen en bediend door diverse priesters. In 1357 een pastoor en negen priesters, die samen een soort kapittel vormden. Van een kapittel was normaal alleen sprake bij grotere kerken in de steden. De vele altaren (uiteindelijk ongeveer 25) en de vele priesters duiden op een grote rijkdom van de kerk. De kerk was in vroeger tijd veel groter en bezat twee toen zijbeuken. Vermoedelijk zijn ze aan het eind van de 18e eeuw afgebroken. Onder de zuidelijke zijbeuk bevond zich de grafkelder van Keppel en onder de noordelijke die van de Ulenpas. Beide grafkelders zijn nu naast de kerk op het kerkhof nog aanwezig. Bron: www.kerkdrempel.nl
Jacob van Sluis over theologie aan de Universiteit in Harderwijk
Zoals bekend vormde de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden een federatieve staat. De Staten Generaal kenden slechts een beperkte bevoegdheid, voornamelijk op de beleidsterreinen van buitenlandse zaken en defensie. Het beleid voor de dagelijkse gang van zaken werd per gewest bepaald, door de Provinciale Staten. De provincies waren autonoom in tal van zaken die naar onze moderne beleving centraal vanuit 'Den Haag' bepaald worden. De moderne centralistisch bestuurde staatsvorm kwam pas met de Bataafse Revolutie en met het Koninkrijk.
Tot de zaken die decentraal geregeld werden, op het niveau van de Provinciale Staten, behoorde ook het hoger onderwijs. Een aantal provincies in de Republiek kwam al snel na de zelf uitgeroepen vrijheid van het Habsburgse gezag met een eigen universiteit: Leiden voor Holland in 1575, Franeker voor Friesland in 1585 en Groningen voor de eigen provincie in 1614. In Utrecht duurde het langer, tot 1636, en Gelderland was met Harderwijk in 1648 hekkensluiter. Resteren van de zeven provinciën nog Zeeland en Overijssel: de eerste had al dadelijk met Holland voor Leiden gekozen, terwijl Overijssel met een Illustre School te Deventer zich met een bescheidener instelling tevreden stelde.
Als reden voor een dergelijke stichting werd vaak, vroom en verheven, genoemd de noodzaak om gereformeerde predikanten op te leiden nu de Roomse afgoderij was afgezworen. In Franeker herinnert een gevelsteen nog altijd hieraan: Pro Christo et Ecclesiae. Maar er zal ook stilzwijgend een puur bestuurlijke noodzaak gegolden hebben, want de jonge staatsvorm had een grote behoefte aan betrouwbaar kader, zodat een juridische faculteit zeker evenzeer gewenst werd als een theologische. En dan gold er nog een andere, onuitgesproken reden om tot stichting van een universiteit over te gaan: door zich een dergelijk stichtingsrecht toe te eigenen toonden de Provinciale Staten aan de buitenwereld hun autonomie. Met andere woorden, een universiteit was een statussymbool. Vijf universiteiten op zo'n klein gebied, ook al was dat gebied in zeven autonome provincies verdeeld, was opmerkelijk. Later, in de Franse tijd, zou de overheid dit beamen door te kiezen voor slechts twee universiteiten, Leiden en Groningen, waartussen Utrecht zich na een intensieve lobby nog wist te wringen. Maar voor Franeker en Harderwijk was toen geen plaats meer: in de nieuwe centraal bestuurde staat was geen plaats meer voor provinciale sentimenten.
De verheffing tot universiteit betekende voor 'Harderwijk' nog geen zekerheid. Het rampjaar had als gevolg dat men in de laatste decennia van de zeventiende eeuw gedwongen was tot een langzame herstart. Jaren lang ontvingen de hoogleraren geen traktement. Het kwartier van de Veluwe begon pas in 1692 met een regelmatige betaling. De beide andere kwartieren hervatten nog later hun bijdrage en pas in 1717 bereikte de subsidie weer de in 1648 afgesproken hoogte van 8000 gulden jaarlijks (dus zonder 'inflatiecorrectie'). Pas vanaf dat moment kon de Gelderse universiteit een stabiele fase binnentreden en de achttiende eeuw geldt dan ook als haar periode van bloei. Die bloei was echter bijzonder relatief, want financieel kon Harderwijk zich met geen van de andere Nederlandse universiteiten meten. Het aantal hoogleraren was beperkt, hun traktementen waren bescheiden te noemen en voor studiefaciliteiten (zoals wetenschappelijke instrumenten of een botanische tuin) waren er nauwelijks middelen. Gerenommeerde hoogleraren van elders kon men niet aantrekken; men was vaak gedwongen eigen talent te benoemen. Was zo´n benoeming op krediet inderdaad een succes, dan werd de betreffende hoogleraar door Leiden of Utrecht weggekaapt. Achteraf kan men zeggen dat het vooral de eigen wilskracht was, en dan vooral de inzet van enkele hoogleraren, die maakten dat de universiteit toch tot bloei kwam.
Theologie
Voor de theologie heeft het Gelderse Athene alle kenmerken van een studie-universiteit. Men kon er een volledig studieprogramma volgen, tot en met een promotie tot doctor, maar theologen promoveerden zelden. In de gehele Republiek gold dat de toelating tot het predikambt door de gereformeerde kerk zelf ter hand genomen was, via eigen examens, weliswaar op basis van een academische studie, maar los van academische examens. Formeel waren kerk en universiteit van elkaar gescheiden: de kerk had geen rechtstreeks toezicht op de aanstelling van professoren of op het curriculum. Voor de universiteit was het voordeel van deze relatie dat haar academische vrijheid gegarandeerd was, maar het nadeel was dat uiteindelijk de exameneisen voor de belangrijkste beroepsgroep buiten haar om werden geformuleerd. De eigen academische examens waren voor predikanten in spé dus overbodig en bijgevolg zijn theologische promoties zeldzaam. De studenten konden volstaan met een getuigschrift van de hoogleraren dat zij een aantal jaren gestudeerd hadden, los van een toetsing, en daarmee konden ze zich melden bij de classis om tot de beroepsgroep der predikanten toegang te verkrijgen. Op de markt van een promotie in de theologie behoefde Harderwijk zich dus niet te profileren.
Wat opvalt is dat het toch grote namen uit de vaderlandse theologiegeschiedenis zijn die in deze periode hun academische loopbaan in Harderwijk beginnen: naast de genoemden valt vooral te denken aan Clarisse en Pareau. Maar desondanks liep helaas wel het aantal studenten theologie terug. Dit laatste is wederom symbolisch voor de Harderwijkse universiteit als geheel in de slotfase: met zeer bescheiden middelen wist men een goede mate van kwaliteit te behouden, maar toch keerde zich het tij. Harderwijk is nooit groot opgetuigd geweest en ze kon in 1818 dus ook gemakkelijk weer afgetuigd worden. Een verwijt van een bescheiden uitstraling dient men dan ook niet te richten op de hoogleraren in Harderwijk zelf, maar op de broodheren in de Gelderse politiek.
De Latijnse school was vóór de 19e eeuw een in heel Europa wijd verbreid schooltype, dat leerlingen (uitsluitend jongens, overwegend afkomstig uit gezinnen uit de hogere en middenklasse) voorbereidde op de universiteit. Destijds was het Latijn de taal van de wetenschap, en zelfs de colleges op universiteiten werden in deze taal gegeven. Kennis van het Latijn was essentieel voor een ieder die hogere studies wilde verrichten. Het lesprogramma van de Latijnse school bestond grotendeels uit Latijn. Andere vakken waren van marginale betekenis. Vele Nederlandse steden (onder meer Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Dordrecht - het oudste van Nederland, Gouda, Haarlem, Leiden, Deventer en Groningen), hadden vanaf de 14e eeuw een Latijnse school. Sinds de 16e eeuw werd ook het Grieks opgenomen op het schoolprogramma. In de 18e eeuw begon in Nederland de populariteit van de Latijnse scholen te tanen, onder meer door de opkomst van de "Franse scholen", waar men ook Frans leerde (een taal die toen bezig was Latijn te verstoten van zijn positie van Europese lingua franca) en praktische vakken zoals boekhouden. Bron: wikipedia
In Drempt, de geboorteplaats van zijn vader woonden in die tijd (eigenlijk iets later in 1841) ongeveer 1100 inwoners. Waarvan 800 tot de hervormde kerk behoorden. Het merendeel werkzaam in de landbouw. De kerk in Drempt stamt uit in elk geval 1252 en mogelijk uit 1069. Twee ingemetselde beeldjes zouden bewijzen dat deze kerk is gesticht door Karel de Grote, maar hierover is niets met zekerheid te bewijzen. De pastorie werd vanaf 1329 een tijd lang door een priester van de Ridderlijke Duitsche Orde bekleed. Deze werd tot 1618 aangesteld door de Commandeur van de Orde die destijds in Dieren zetelde. Voorzover bekend kwam in 1579 de eerste hervormde predikant naar Drempt.
Op 19 september 1788 ronde Arend Ketz zijn studie in de theologie op de Universiteit in Harderwijk af. Arend was toen 20 jaar oud.Bernard Nieuhoff was zijn rector. Bernard Nieuhoff (1747-1831) geb. te Lingen (Duitsland) 18 Maart 1747, studeerde te Leiden in de godgeleerdheid, en promoveerde in 1773 in de Wijsbegeerte. Hoogleraar in de wijsbegeerte te Deventer (1795), in de wijsbegeerte en de wis- en sterrenkunde te Harderwijk (1775). Lid der Nationale Vergadering (1796). Aanhanger der common-sense-filosofie. Met Nieuhoff waaide er een moderne wind door Harderwijk. In het onderwijs vond hij niet alleen ratio en strenge redenering belangrijk maar juist verbeelding en dialoog. Hij was patroit, tegen slavernij en voor meer welzijn van de hele bevolking en niet alleen de adel en de bovenlaag. Hij was actief betrokken bij de tot stand koming van de Bataafse republiek en in 1796-1797 ook lid van de Nationale Vergadering.
Voor Arend zijn theologie studie aan de universiteit kon starten bezocht hij waarschijnlijk een Latijnse school. Dat kan de Latijnse school in Doesburg zijn geweest, Doesdburg was dichtbij. Of de Latijnse school in Deventer. De school in Deventer stond in hoog aanzien en werd later ook door de een van de zonen van Arend bezocht.
Hoog Keppel - Schilderij naar een tekening van Jan de Beijer uit 1743.