5 Generaties Hotel Kets

Bijna 160 jaar een hotel van de familie Kets.

Op 1 mei 1799 werd Gerrit Kets logementhouder van herberg de Leeuw. 156 jaar later in 1955 overleed de laatste Kets die het inmiddels Hotel Restaurant de Gouden Leeuw bestuurde. Ook hij heette Gerrit. Zijn vrouw Wieke Kets – Heslinga probeerde nog drie jaar lang het Hotel alleen te runnen. Maar deze taak bleek te zwaar voor haar. Waardoor na 160 jaar Kets geschiedenis Hotel restaurant de Gouden Leeuw in andere handen overging.

De Gerrit Kets die in 1799 herberg de Leeuw overnam was een broer van dominee Arend Ketz. Gerrit en Arend scheelden maar een jaar in leeftijd. Gerrit zou twee jaar na Arend overlijden. Naast logementshouder/herbergier zorgde Gerrit ook voor de inning van de tolgelden.

Inmiddels staat de Gouden Leeuw op de gemeentelijke monumentenlijst.

In 1799 werd de herberg gepacht van de Baron van Pallandt die vanuit zijn kasteel prima zicht had op de herberg. Kort voor 1769 werd door deze Baron een weg aangelegd op de route van Doesburg naar Doetinchem. De weg volgde ruwweg het parcours van de huidige rijksweg.

Deze privé weg liep over het grondgebied van de Baron. Als naam kreeg deze weg de Doetinchemse Allee. De aanleg van de weg was een kostbare zaak geweest. Aan weerszijden werden bomen gepland en kolken en poelen moesten worden gedempt. Uiteraard wilde de Baron iets van die kosten terug zien en stichte daarom herberg de Vergulde Leeuw dat tevens tolhuis werd.

Voor een wagen, koets of rijtuig, bespannen met een, twee of drie paarden moest een stuiver tolgeld worden betaald. Voor vier of meer paarden moest men twee stuivers betalen. Inwoners van Keppel bezoekers van het kasteel of de watermolen hoefden geen tolgeld te betalen.

En wie een borrel dronk in de herberg mocht ook zonder tol te betalen doorrijden.

Aan de oude weg, een hessenweg, stond ook een herberg. Beide herbergen hebben enige tijd naast elkaar bestaan. Maar toen de oude herberg in bezit van de Baron kwam liet hij het afbreken. Herberg de Vergulde Leeuw bleef over. De oude hessenweg was veel slechter begaanbaar en miste nu dus ook een herberg.

In den Gelderschen achterhoek.

… Aan een bogt omstreeks het midden der laan ligt het deftige huis van Mevr. de wed. van der Hardt Aberson, in een’ omrasterden lusthof, met het uitzigt op den schoonen straatweg en de vruchtbare weilanden, die de kleine rivier omzoomen. Daarnevens zien wij de gebouwen der ijzersmelterij en gieterij, de vertegenwoordigers eener tak van nijverheid, in den Achterhoek eigenaardig, ten wier behoeve de geweldige vrachtwagens, met hun breede wielen en hun’ sterke paarden, die wij meer dan eens voorbij kwamen, de grondstof aanvoeren. Ook hier houden wij ons ditmaal niet op, al hopen wij, bij ons verblijf in dit oord, ook den hoogoven te bezigtigen. De nette huizen en villa’s van Laag-Keppel, langs de laan geschaard, te midden van tuinen en akkers, vertoonen zich reeds; de school en de pastorie komen wij voorbij en nu – welkom bij Kets, op een der bekoorlijkste plekjes, die misschien in ons vaderland te vinden zijn.

De indruk, in Arnhems heerlijken omtrek ontvangen, behoeft nog volstrekt niet te zijn uitgewischt, om ons tegelderland-wapen1 overtuigen, dat de Achterhoek die gevaarlijke nabuurschap niet zoozeer heeft te vreezen. In vergelijkingen treden wij niet, waar de verschillende landschappen zulk een’ eigenaardigen stempel dragen en het schoone zoo overrijk in verscheidenheid is; maar dit is wel zeker, dat voor een verblijf van eenige weken in den zomer ’t voortreffelijke logement de Gouden Leeuw zeer gezocht is en dat Keppel niet nalaat, op den voorbijganger een groote mate van aantrekkelijkheid uit te oefenen. Een reiziger zou al zeer gehaast moeten zijn, om zich niet onwillekeurig onder Kets’ veranda neêr te zetten. Wij vinden hier een’ viersprong van wegen. Links, vlak naast het logement, loopt de weg naar Hummelo, door fraaije eiken versierd, en aan de andere zijde van dien weg ligt een vriendelijke villa, thans door een der freules van Pallandt bewoond. …

Bron: Jacobus Craandijk, Wandelingen door Nederland met pen en potlood. Deel 5. Kruseman & Tjeenk Willink, Haarlem 1880

“Het schoonste gezigt, dat Keppel ter beschouwing oplevert, is het punt, waar de straatweg van Doesburg naar Anholt en de grindweg van Zutphen naar Emmerik elkander rechthoekig snijden, vlak voor het schoone en tevens bij uitstek goede logement ‘De Gouden Leeuw”.

Bron: J.A. Klokman, ‘Schetsen en taferelen uit den Achterhoek’, 1856.

Tot 1881 was de herberg waarschijnlijk een pleisterplaats voor de diligence. De stoomtramlijn van Dieren naar Doetinchem werd op 25 juni 1881 geopend. Hotel de Gouden Leeuw stond toen ook bekend als Station Laag Keppel. In Laag Keppel moesten de stoonlocomotieven namelijk ook water innemen waardoor de tram een verplichte stop had van bijna tien minuten. Passagiers en trampersoneel hadden daardoor voldoende gelegenheid voor een bezoek aan de Gouden Leeuw. Over klandizie had men dus niet te klagen. Hotel de Gouden Leeuw inmiddels ook bekend als Hotel Kets werd inmiddels ook met een verdieping uitgebreid.

Met de Diligence.

Doesburg is de hoofdstad van den Gelderschen achterhoek, de plaats, waar de omtrek komt winkelen en markten, het trait d’union tusschen de stadjes en dorpen aan den Ouden IJsel en de wereld der spoorwegen aan den linkeroever van den Nieuwen. Tusschen de stad en het station Dieren rijden de groote omnibussen heen en weêr en in de breede Koepoortstraat voor het hôtel Gelria komen de diligences en snorwagens zamen, die reizigers en goederen uit Doetichem en ter Borg, uit Aalten en Varsseveld, uit Gendringen en Dinxperlo aanbrengen of derwaarts heenvoeren, na behoorlijke sorteering. Daar glimmen nog de vonken van de heerlijkheid van van Gend en Loos uit den goeden tijd, toen die wijdvermaarde firma haar geele wagens over alle straatwegen uitzond. Daar wordt nog de dubbele ladder tegen de rijtuigen gezet en de hooge bovenlast onder het zwarte zeil uitgehaald of opgeladen. Daar vertoont nog de straat de gezellige vermenging van koffers en kisten, pakjes en manden, voorbarige passagiers en schuchtere juffertjes. Daar worden nog de hijgende, dampende rossen afgespannen en de versche, maar daarom niet altijd minder hijgende, paarden aan de lange boomen geketend. En daar vinden wij nog de laatste vertegenwoordigers van een uitstervend geslacht. Daar vinden wij nog den conducteur met het blaauwe buis en de blaauwe pet, met verschoten zilver uitgemonsterd – den classieken conducteur met zijn altijd vrolijk gezigt, dezelfde bij zonneschijn en regen, bij zomerhitte en winterkou, in voorjaarsvlagen en najaarsstorm, onuitputtelijk in verhalen en lustige deuntjes op de schorre trompet, onvermoeid in kwinkslagen tegen de deernen aan de deuren en de voerlieden der logge vrachtwagens, die van geen uitwijken weten, – den onmisbaren en vertrouwden bode, die voor de bewoners der afgelegen dorpen boodschappen doet in ‘de stad’ en de benoodigdheden meêbrengt en de nieuwste berigten verzamelt. Hier ziet gij hem nog in zijn kracht, bedrijvig, oplettend, gedienstig, met zijn portefeuille en papieren en pakjes beladen, de ziel van het werktuig, dat zich straks op zijn’ wenk in beweging zet, de weldoende geest, die overal, waar hij komt, blijdschap en gaven brengt.diligence5

Merkwaardig is het, hoeveel menschen en goederen deze wagens van van Gend en Loos laden kunnen. Wie meenen mogt, dat er eenige verhouding is tusschen het aantal zitplaatsen en het getal passagiers, verkeert in een dwaling. De ruimte van binnen is gevuld, de kap met opgestapelde bagage hoog beladen. Maar nog eenige reizigers wachten. Vrees niet, dat zij worden achtergelaten en geloof niet, dat er van een’ ‘bijwagen’ sprake zal zijn. Twee zetten zich op den bok. Twee gaan zitten op den rand van de kap. Daar komt er nog een – hij vleit zich neêr tusschen de koffers. Daar moet nog een meê – hij vindt een mand tot zetel. En is er nog iemand meer, dan is er voor hem ook nog wel plaats op het zeil, waar hij troont hoog in de lucht, als op een zegekar in een’ allegorischen optogt. Ten laatste klimt de conducteur er nog bij, die altijd wel ergens teregt komt. Dat is nog eens een huiselijke manier van reizen, waarvan men aan den overkant van den IJsel niet meer weet. Hier is nog het rijk van vrijheid, gelijkheid en broederschap. Geen mensch heeft bezwaar, geen passagier murmureert, zelfs de paarden geven niet hoorbaar hun ongenoegen te kennen, en al komen wij ook in den Achterhoek om te wandelen, ’t kan niet oneigenaardig worden geacht, er op deze wijze onze intrede te doen.

Van Gend en Loos afbeeldingen: Johan Seure. Bron: Jacobus Craandijk, Wandelingen door Nederland met pen en potlood. Deel 5. Kruseman & Tjeenk Willink, Haarlem 1880

In 1943 kocht men het Hotel van de familie van Pallandt. Maar in 1955 overleed de laatste Kets die het inmiddels Hotel Restaurant de Gouden Leeuw bestuurde. Gerrit Kets bestuurslid van de VVV Hummelo en Keppel en Organist van de Ned.Herv. Kerk te Keppel. Zijn vrouw Wieke Kets – Heslinga probeerde nog drie jaar lang het Hotel alleen te runnen. Maar deze taak bleek te zwaar voor haar. Het echtpaar had geen kinderen. Waardoor na 160 jaar Kets geschiedenis Hotel restaurant de Gouden Leeuw in andere handen overging. 160 jaar waarin vijf generaties Kets de Herberg later het Hotel bestuurden.

Inmiddels is Hotel de Gouden Leeuw veranderd in een zorghotel. Hun website zegt hierover het volgende:top1

Zorghotel De Gouden Leeuw beschikt over zeventien ruime kamers voor alle vormen van tijdelijk verblijf met zorg. We ontvangen hier mensen met een zorgvraag voor een vakantieverblijf, voor revalidatie na een ziekenhuisopname, maar ook mensen die ter overbrugging in het zorghotel verblijven totdat opname mogelijk is in onze woonzorgvoorziening. Daarnaast wordt er dagelijks postoperatieve zorg geboden aan een groep orthopedische patiënten, afkomstig uit Kliniek Klein Rosendael te Rozendaal.

Naast het zorghotel bestaat ook nog steeds het restaurant de Gouden Leeuw dat zowel voor bewoners alsook voor gewone bezoekers een warm welkom bied.

Aan de muren hangen nog veel afbeeldingen van de familie Kets. Van foto’s, recepten tot trouwaktes. Her en der staan nog oude memorabilia die herinneringen oproepen aan vervlogen tijden. Voor een (verre) verwant van de familie Kets zeker een bezoekje waard. Ik hoop wel dat als ze ooit hun interieur veranderen de stukken die bij hun slechts als decoratie aan de wand hangen op een plek terecht komen waar ze met zorg worden bewaard.